Het einde van de vennootschapsbelasting

In de aanloop naar de begrotingsopmaak voor volgend jaar buigt de regering zich over de noodzakelijke hervorming van de vennootschapsbelasting. Dat fiscaal instrument – gepokt en gemazeld in een industrieel tijdperk – is gedoemd te verdwijnen in een digitale economie. Hoe kan het anders en beter?

In een winkel of een restaurant betaal je de rekening pas op het einde, waar de kassa staat. Het heeft immers geen zin om bij ieder product geld op te halen. Dat is niet efficiënt. Hetzelfde geldt voor de fiscaliteit. Je kan gebouwen noch machines een heffing opleggen. Uiteindelijk betalen mensen – lees werknemers, aandeelhouders en consumenten – de belastingen.

Vennootschapsbelasting is in se dus overbodig. Bedrijven wentelen de kostprijs toch gewoon af op de prijs van het product, zodat uiteindelijk de gebruiker het gelag betaalt. Kapitaal weet meestal te ontsnappen. Bovendien investeren aandeelhouders niet in arbeid als ze voor hun kapitaal geen minimale “return on investment” krijgen. Zo verliest de gemeenschap zowel jobs als inkomsten.

Eind augustus buigt de regering zich over de begroting van volgend jaar. Tijdens deze onderhandelingen zal ook een hervorming van de vennootschapsbelasting aan bod komen. De partijen slijpen nu al hun messen, want de inzet is groot: met de brexit in het vooruitzicht dreigt de fiscale concurrentiestrijd in Europa in alle hevigheid los te barsten.

Fiscale strijd

“Van nu af aan profileert het Verenigd Koninkrijk zich nog meer als vroeger als aantrekkelijk belastingland” zegt Jan Tuerlinckx, advocaat-vennoot van Tuerlinckx Fiscale Advocaten: “Nieuwe Britse maatregelen zullen immers niet meer getoetst worden aan het vrij verkeer van personen en goederen of aan verboden staatssteun.”

Natuurlijk blijven internationale afspraken – zoals de ‘Foreign Account Tax Compliance Act’ (FATCA), die financiële instellingen buiten de Verenigde Staten verplicht om bepaalde inlichtingen over klanten uit de VS door te sturen naar de Amerikaanse belastingadministratie (IRS) – gelden, maar van gelijke spelregels kan je niet meer spreken. Daarom pleit de voorzitter van de Beroepsvereniging voor Accountants, Belastingconsulenten, Bedrijfsrevisoren, Erkende Boekhouders-Fiscalisten, Advocaten en Notarissen (BAB-BKR) voor een holistische visie op fiscaliteit:  “Nu is Europa te veel gefocust op een gemeenschappelijke speelveld (level playing field). Zo krijg je een zwakke eenheidsworst in plaats van een sterk menu met verschillende smaken. Laat ons echter kritisch nadenken hoe internationaal een compromis kan worden bereikt, zonder dat België te hard moet inleveren op zijn fiscale regime. Want hoe meer je jezelf bent, hoe minder je als iedereen bent. Daar heeft iedereen baat bij.”

Ondertussen trachten de lidstaten elkaar vliegen af te vangen met speciale tarieven en gunstregimes. Sinds de beurscrash in 2008 vindt een ware “race to the bottom” plaats. Ook België tracht buitenlandse investeerders met tal van fiscale voordelen – zoals de notionele interest, de aftrek voor octrooien of de “excess profit ruling” – te lokken. Maar Europa fluit ons land terug wegens schadelijke concurrentie. Daarom bereidt de regering Michel I nu een tweede taxshift voor: de hervorming van de vennootschapsbelasting.

Volgens het jongste rapport van de Hoge Raad van Financiën is een daling naar 25% of 20% mogelijk, mits afschaffing van de aftrek voor het risicokapitaal en een verhoging van de roerende voorheffing. Maar om budgettair geen verliezen te lijden, zal de notionele interest hoe dan ook moeten verdwijnen, aldus het adviesorgaan van de overheid. Vicepremier Kris Peeters (CD&V) maakt van de studie gebruik om opnieuw zijn idee van vermogenswinstbelasting boven te halen. De Hoge Raad ziet zo’n ‘Coucke-taks’  – de invoering van een meerwaardebelasting op aandelen – echter niet zitten.  Hoewel de maatregel in theorie 3,5 miljard euro kan opleveren, dreigen heel wat transacties niet meer in België te gebeuren eens de vrijstelling wegvalt.

Fiscaal paradijs

Met het huidige nominaal tarief van 33,99% in de vennootschapsbelasting zitten we ruim boven het Europees gemiddelde van 22,8%. “De aanslagvoeten moeten dringend omlaag willen we buitenlandse investeringen aantrekken” zegt Isabel Verlinden, partner van het fiscaal adviesbureau PwC: “Om concurrentieel te blijven, dienen we te zakken naar 15 à 20%, zoals het Verenigd Koninkrijk.”

Uit de statistieken van de Europese Commissie blijkt echter dat het effectieve tarief van de vennootschapsbelasting in ons land – exclusief de financiële sector – slechts 26,7% bedraagt. Dat gaat in de richting van 22,8%? Verlinden: “Ja, maar ook hier toren we boven het Europese gemiddelde van 21,1% uit. Als we daar de banken en verzekeraars bijtellen, daalt de norm naar 16,7%, terwijl Belgische bedrijven dan nog altijd 20% betalen.”

Ondanks de hoge vennootschapsbelasting staat België bekend als een fiscaal paradijs. We bekleden de tweede plaats in Europa wat fiscale voordelen voor bedrijven betreft. Alleen Nederland doet nog straffer.

Nochtans staat België bekend als een fiscaal paradijs. Zo prijkte ons land eind vorig jaar op de tweede plaats in Europa wat fiscale voordelen voor bedrijven betreft. Alleen Nederland doet nog straffer.

“Ja, maar onder internationale druk beknot de federale regering aan de lopende band onze fiscale voordelen” repliceert Jan Tuerlinckx. Hij verwijst naar de afschaffing van de distributie- en coördinatiecentra en de continue verlaging van de notionele interestaftrek. Tuerlinckx: “Tel daar de verplichte terugbetaling van de ‘excessive profit ruling’ en de jongste afzwakking van de octrooiregeling bij en er blijft niet veel meer over van de voordelen voor de bedrijven.”

“Ondanks alle verminderingen en uitzonderingen, blijven de lidstaten sinds 1965 ongeveer 10% van hun fiscale inkomsten uit de vennootschapsbelasting halen”, voegt PwC-partner Verlinden daar aan toe: “Uit het jongste rapport van de Amerikaanse fiscus – Internal Revenu Services (IRS) – blijkt zelfs dat bedrijven in de Verenigde Staten een pak minder hun belastingen ontwijken dan personen: 35 miljard dollar versus 291 miljard dollar. Bovendien tonen studies aan dat vennootschapsbelasting de economische groei ondermijnt. Het is dus een perverse heffing, die niet veel opbrengt.”

Dankzij fiscale engineering weten grote groepen – zoals Ikea en Starbucks – de heffing op hun winsten te beperken tot 1% à 2%. Verlinden: “Wat een multinational ultiem aan belastingen betaalt als je alle landen en belastingen samenvoegt, lijkt me nuttiger dan te kijken naar casuïstiek, die vaak een vertekend beeld geeft omdat men er één of meerdere landen ‘uitpikt’. De meerderheid van de grote bedrijven draagt haar deel aan de belastingen af met het oog op een duurzame en constructieve aanwezigheid in één of meerdere landen. Bovendien houden zij steeds meer rekening met hun imago in de buitenwereld. Het is al te gemakkelijk om multinationals met de vinger te wijzen in de pers omtrent vermeende fiscale malversaties, hoewel alles juridisch dichtgespijkerd is via een bindend fiscaal akkoord met de fiscus. Zij hebben geen stemrecht en kunnen dus niet terugslaan. Het doet me denken aan een sketch uit de Britse TV-serie ‘Not the Nine O’clock News’: ‘tax the vulnerable, they can’t hit back’.”

Als gevolg van hun wereldwijde bekendheid zijn multinationals kwetsbaar, schrijft ook Mindy Herzfeld (ex-Deloitte), redacteur van het vaktijdschrift Tax Notes International:

"De doorverwijzing van de top van computergigant Apple naar een hoorcommissie van de Amerikaanse senaat om hen op de rooster te leggen over hun dochtermaatschappij in de Bermudas levert meer publieke publiciteit op dan het vuur aan de schenen te leggen van particulieren, die hun bedrijfskosten kunstmatig opvijzelen."

Fiscale harmonisatie

Ondertussen voeren de Verenigde Naties, het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) de druk op fiscale concurrentie in ijltempo op. Ook Europa doet haar duit in het zakje. Zo pleit de Europese Commissie al jaren voor gemeenschappelijke regels in de vennootschapsbelasting: de Common Consolidated Corporate Tax Base (CCCTB). Deze uniformering moet de fiscale obstakels, die de groei op de interne markt in de weg staan, uit de wereld helpen. Het voorstel waarborgt de samenhang van de nationale stelsels. Eerlijke concurrentie zorgt immers voor meer transparantie en geeft de lidstaten de mogelijkheid om rekening te houden met hun lokale situatie en budgettaire behoeften, aldus de Commissie.

Daarnaast publiceerde de Europese Commissie begin dit jaar haar externe strategie voor effectieve belastingheffing om ontwijking via niet-Europese belastingparadijzen tegen te gaan. Hierbij zal de automatische uitwisseling van informatie tussen de landen verbeterd worden. Ook ligt sinds eind januari 2016 een ontwerp van BEPS-richtlijn (‘Base Erosion and Profit Shifting’) op tafel om de uitholling van de belastbare grondslag voor bedrijven door de diverse lidstaten tegen te gaan.

Anton van Zantbeek, advocaat van Rivus, noemde deze initiatieven in De Morgen eerder louter symptoombestrijding:

"Zij nemen de oorzaak van dit gedrag niet weg. Ondernemingen zoeken altijd de minst belaste weg. Binnen afzienbare tijd komen we opnieuw in dezelfde belastingvermijdingsdynamiek terecht. Dat is logisch. Landen willen zo veel mogelijk investeringen aantrekken. Zij zorgen voor toegevoegde waarde en zwengelen economische activiteiten aan, die welvaart en werkgelegenheid creëren."
 

Toch ontkent de professor Financial Planning aan de Faculteit Economie en Bedrijfskunde KU Leuven niet dat internationale organisaties de mazen in het net langzaam maar zeker aan het dichten zijn. Van Zantbeek:

"Door uitwisseling van informatie komen de belastingplichtigen – zowel particulieren als bedrijven – met de billen bloot. Dat biedt overheden de mogelijkheid om beter en rechtvaardiger te kunnen belasten, gekoppeld aan een verlaging van de huidige tarieven zonder aan inkomsten in te boeten. Dit impliceert een verbreding van de belastbare grondslag. Vandaag ondermijnen de vele uitzonderingen het fiscaal systeem. Waarom mogen ondernemingen hun verliezen onbeperkt in de tijd verrekenen, interesten zo riant aftrekken of onroerende goederen, die niet in waarde verminderen, toch fiscaal afschrijven? In de personenbelasting kan dat allemaal niet. Nederland heeft met dergelijke aberraties komaf gemaakt. België zou beter ook dit voorbeeld volgen."

Finaal zal de soep niet zo heet gegeten worden als opgediend. In de Europese Unie geldt immers het fiscale vetorecht. Dit betekent dat alle lidstaten akkoord moeten gaan voordat een nieuwe regeling wordt ingevoerd. Ook laten de buurlanden zich veel minder doen door de Europese regelneverij dan België. Tuerlinckx: “Zo passen Nederland en Luxemburg nog altijd de fiscaal voordelige infocap-ruling – informele kapitaalstortingen waar je op kunt afschrijven – toe. Dat verhoogt hun aantrekkingskracht voor buitenlandse investeerders. België heeft dit regime een aantal jaren geleden al afgeschaft, als gevolg van protest van de EU en de OESO, aangezien de toepassing ervan enkel ten voordele zou zijn van welbepaalde ondernemingen. Ondertussen verliezen we echter terrein ten opzichte van onze buurlanden.”

PwC-partner Verlinden begrijpt dat overheden in tijden van groeiende overheidstekorten niet alleen de broeksriem van hun inwoners aantrekken, maar ook naar de bedrijven kijken om het gat in de begroting te dichten: “Het kan geen kwaad om te controleren of de lidstaten wel op een eerlijke manier belastingen heffen, maar je mag geen afspraken uit het verleden – gegoten in wetteksten – met terugwerkende kracht intrekken. Dat is een schending van de rechtszekerheid. Bovendien beantwoordt het huidig belastingsysteem niet meer aan de economische werkelijkheid. Het stelsel dateert nog uit het industrieel tijdperk. Vandaag realiseren de Westerse bedrijven het overgrote deel van hun toegevoegde waarde door middel van intellectuele eigendomsrechten zoals merken en octrooien. Die zijn niet gemakkelijk vast te pinnen op een specifieke plaats. Tenslotte moeten we vermijden dat winsten twee maal belast worden, zowel in het land van de maatschappelijke zetel als in het land van productie. Vandaar het belang van goede afspraken over verrekenprijzen (transfer pricing).”

Fiscale uitholling

Het jongste jaarverslag van de Nationale Bank van België (NBB) leert ons dat de inkomsten uit de vennootschapsbelasting – uitgedrukt in percentage van het Bruto Binnenlands Product (BBP) – in ons land gestaag toeneemt van 2,5 % in 2009 naar 3,3% in 2015. In nominale termen komt dat neer op ongeveer 13,5 miljard euro.

In de praktijk levert deze post echter slechts 7,4 % van de totale (para)fiscale inkomsten – goed voor 182,1 miljard euro – op. Uitgezonderd het jaar van de beurscrash (2008) is dit aandeel het afgelopen decennium nagenoeg stabiel gebleven. Het gros van de vennootschapsbelasting wordt tegenwoordig enkel nog betaald door honderdduizenden kleine ondernemingen.

Het gros van de vennootschapsbelasting wordt tegenwoordig enkel nog betaald door honderdduizenden kleine ondernemingen
 

“Dit verdient de naam vennootschapsbelasting niet meer” zegt Karel Anthonissen, gewestelijk directeur van de Bijzondere Belastinginspectie (BBI): “Het is een ‘omgeleide personenbelasting’. Een goed verdienende ondernemer of beoefenaar van een vrij beroep laat om fiscale redenen liever een groot stuk van zijn verdienste in zijn vennootschap zitten. Van kapitaalwinst is daar nauwelijks sprake. De vennootschapsbelasting als belasting van de grote kapitaalwinsten is zo goed als verdwenen.”

Talloze aftrekposten hollen de vennootschapsbelasting uit. Vooral de aftrekbare verliezen kosten de schatkist veel geld. Anthonissen: “Het gat in de haag groeit, vooral sinds de aftrek voor de zogenaamde definitief belaste inkomsten (DBI) – jaarlijks ook goed voor 6 of 7 miljard euro – niet meer in de tijd beperkt mag worden. Zo nemen ‘actieve belastinglatenties‘ in de jaarrekeningen van vennootschappen telkens toe. Dit betekent steeds meer vrijstellingen in voorraad.”

Op termijn is de vennootschapsbelasting dus gedoemd te verdwijnen. De staat int namelijk al belastingen op de omzet van het bedrijf door middel van BTW en een taks op arbeid, die respectievelijk door de consument en de werknemer betaald worden. Theoretisch is de vennootschapsbelasting een heffing op het kapitaal, namelijk de winst van het bedrijf. Maar de aandeelhouders dragen al hun steentje bij via een roerende voorheffing op dividenden. Bovendien is het zeer moeilijk om in deze tijden van e-commerce en globalisering de belastbare basis te bepalen. Waar en wanneer ontstaat winst in een onderneming? Deze oefening kost veel tijd, geld en energie aan zowel de overheid als de bedrijven.

Fiscale sluizen

Uiteindelijk schuift het bedrijf de kost van de vennootschapsbelasting door naar de werknemer, consument of aandeelhouder.

“Daarom kan de overheid beter aan de uitgang – wanneer het geld de onderneming verlaat (interesten, dividenden, lonen, bezoldigingen, royalty’s, voordelen in natura, enzovoort) – een uniforme voorheffing van 35% invoeren om de nodige inkomsten ter vergaren, waarmee ze haar publieke uitgaven kan financieren”, zegt van Zantbeek: “Bestuurders, die niets uitkeren en evenmin investeren, moeten uiteraard ook bijdragen. Daarvoor kunnen we wat leren van de Nederlandse afroomregeling (Wet Claw Back), die ervan uitgaat dat het overtollige geld fictief als loon is uitgekeerd. Idealiter betaalt elke vennootschap evenveel belastingen op lonen, intresten en dividenden. Enkel de overschot aan cash die op de balans staat, moet je belasten, want die levert niets op voor de economie.”

Aangezien er geen belastbare basis meer in de ondernemingen overblijft, steunt zelfs fraudejager Anthonissen het voorstel om de vennootschapsbelasting gewoon af te schaffen:

"Dan kun je inderdaad beter een sluitende heffing op alle winsten, die de vennootschap verlaten, voorzien. Hierbij denk ik aan een uniform tarief op dividenden, inkoop eigen aandelen, interne meerwaarden, liquidatieboni, intresten en andere voordelen aan buitenlandse groepsmaatschappijen. Het rijden op de snelweg wordt dan niet gehinderd, maar bij alle mogelijke afritten geldt wel hetzelfde toltarief."

Critici wijzen op de nadelen van een afschaffing. Verlinden: “Enerzijds bestaat dan het gevaar dat particulieren inkomsten maximaal in vennootschappen gaan gieten. Anderzijds verliezen de ontwikkelingslanden hun voornaamste bron van inkomsten, terwijl het probleem van de informele economieën moeilijk opgelost raakt. Indien er effectief een politieke wil is tot fiscale harmonisatie is het nu het moment om daar werk van de maken. Daar wringt misschien wel het schoentje, want landen maken investeerders maar al te graag het hof. Bedrijven zijn immers geen ganzen om te plukken, maar instrumenten voor overheden om hun publieke uitgaven voor de gemeenschap mee te financieren.”

De gewestelijke BBI-directeur erkent de mogelijke gevaren, maar ziet toch meer voordelen in het nieuwe systeem:

"Zolang we de hoge personenbelasting van 50% niet kunnen uitvlakken, zal die beweging naar ‘vervennootschappelijking’ inderdaad blijven. Maar met een uniform tarief van 25% of 35% op het einde van de rit, kan de staat wél veel meer belastingen op de kapitaalwinst van multinationals vangen dan vandaag. Daartegenover staat wel een forse vermindering van ontvangsten bij de zelfstandigen, die een deel van hun inkomen in de vennootschapsbelasting aangeven. In een overgangsfase moeten daar nog de nodige sluizen gebouwd worden."

Zo zou de maatschappij naar een nieuw, eenvoudig en doeltreffend belastingsysteem, aangepast aan de 21ste eeuw kunnen evolueren: de sociale vlaktaks. Dit stelsel met een belastingvrij minimum én de afschaffing van alle aftrekposten, die enkel de rijken ten goede komen, heft de huidige discrepantie tussen arbeid en kapitaal op. Zowel klein als groot dragen relatief evenveel bij aan de samenleving.

Published under