Columnn J. Tuerlinckx : De slag om de bedrijfsvoorheffing (29/2/2024)

Jan Tuerlinckx

Wij moeten het hebben over bedrijfsvoorheffing. Natuurlijke personen betalen belasting op hun beroepsinkomsten. De personenbelasting wordt afgerekend per kalenderjaar. Medio het kalenderjaar na datgene waarin u de inkomsten geniet, geeft u uw inkomsten aan. Nog wat later vestigt de belastingadministratie de belastingaanslag. Er verstrijkt dus gemiddeld anderhalf jaar tussen het tijdstip waarop u de inkomsten geniet en het tijdstip waarop u daarop de personenbelasting betaalt. Dat zadelt Vadertje Staat op met een probleem.

Daarom is een systeem van voorschotten op die belasting bedacht: de bedrijfsvoorheffing. Personen en entiteiten die beroepsinkomsten uitkeren, moeten een belastingvoorschot op de vergoedingen inhouden.

Het is de fiscus evenwel opgevallen dat niet altijd de correcte voorheffing wordt ingehouden. Vaak is dat het geval bij bedrijfsleiders. Dat zint Vadertje Staat niet. Er loopt een controleactie bij de vennootschappen. Indien vastgesteld wordt dat in het verleden te weinig bedrijfsvoorheffing is ingehouden, wordt die nu nagevorderd bij de ondernemingen. Maar vaak hebben die nagevorderde voorheffingen betrekking op de personenbelasting in hoofde van de genieter, terwijl die al lang betaald is. We maken het wat concreter. Stel, u koopt een wagen. De verkoper vraagt een voorschot. Wegens omstandigheden vraagt u een familielid dat te betalen. Maar de productie van de wagen gaat uitzonderlijk snel. Nog voor het voorschot betaald is, krijgt u een telefoontje dat uw wagen op u staat te wachten. Uiteraard dient u hem wel vooraf volledig te betalen. De vraag is of de garagist daarna nog het voorschot kan claimen bij uw familielid. Uiteraard niet, omdat de wagen al volledig betaald is, valt er niets meer te vorderen.

Op dezelfde manier heeft het innen van de bedrijfsvoorheffing geen zin meer, wanneer de personenbelasting – waarop de bedrijfsvoorheffing een voorschot was – definitief betaald is.

 

Maar de controlediensten worden verplicht dat anders te zien. Hun is opgedragen de niet-ingehouden bedrijfsvoorheffing na te vorderen bij de genieter van de inkomsten in de personenbelasting. Daartegen zijn heel wat technische elementen in te brengen.

Ook rechtbanken oordeelden al dat zulks niet correct is. Onder druk van de talrijke betwistingen heeft de belastingadministratie niet de controles en de navordering stopgezet, maar wel de administratieve betwisting. Een centrale cel in Brussel zal een gemeenschappelijk standpunt innemen. De fiscus weet het met andere woorden ook even niet meer. De meest logische uitkomst zou zijn dat de bedrijfsvoorheffing wordt teruggestort aan de ondernemingen. Zij riskeren wel een kleine boete. De bedrijfsleider heeft uiteraard geen extra inkomsten ontvangen uit de niet-ingehouden bedrijfsvoorheffing. In het slechtste geval zou kunnen worden gezegd dat hij of zij een voordeel heeft gehad, omdat hij later heeft mogen betalen. In een bepaalde visie zou de bedrijfsleider erg beperkt bijkomend belast kunnen worden op het fictieve rentevoordeel dat hij genoten heeft.

Ook daarover is iets te zeggen. Jef Wellens deed hier deze maand nog uit de doeken dat de Belgische staat systematisch te veel bedrijfsvoorheffing inhoudt, om ten onrechte te kunnen genieten van een kosteloze lening op de kap van de belastingbetaler. Ook dat waardevolle inzicht zal in het debat gemengd worden. De discussie zou weleens kunnen uitmonden in een vraag aan het Grondwettelijk Hof, want belastingen mogen enkel worden geheven over de realiteit. Vandaag is de les dat bedrijfsleiders en hun accountant bijzonder alert moeten zijn bij controles op de bedrijfsvoorheffing, om minstens te vermijden dat een dubbele belasting wordt gevestigd. Wordt zeker vervolgd.

Published under