Onderzoekstermijn inzake bedrijfsvoorheffing uitgebreid.

Winnie Milbou

De wet van 28 december 2023 houdende diverse fiscale bepalingen (BS 29 december 2023) breidt de onderzoekstermijn waarover de belastingadministratie op grond van artikel 333/3 WIB beschikt voor de roerende voorheffing uit naar de bedrijfsvoorheffing.

 

Inzake de roerende en bedrijfsvoorheffing is het aanslagjaar gelijk aan het inkomstenjaar, waardoor in de praktijk de onderzoekstermijn inzake bedrijfsvoorheffing minstens één jaar korter is dan de inkomstenbelastingen zelf. Daarom werd een bijzondere aanslagtermijn voorzien in artikel 358, §1, 1° WIB van 12 maanden ingeval een controle of een onderzoek in verband met de inkomstenbelasting uitwijst dat er inbreuken werden gepleegd op de wettelijke bepalingen inzake de roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing. De belastingadministratie kan dus tot vijf jaar voor de vaststelling van de inbreuk teruggaan om een aanslag te vestigen. De aanslagtermijn van 12 maanden zou een aanvang kennen bij de eerste schriftelijke communicatie waarin kennis wordt gegeven van bepaalde inbreuken.

 

Artikel 358, §1, 1° WIB werd ingevoegd voor het geval dat een controle of onderzoek in de inkomstenbelasting (bijvoorbeeld vennootschapsbelasting, waarin het inkomstenjaar niet samenvalt met het aanslagjaar) uitwijst dat er inbreuken werden gepleegd op de bedrijfsvoorheffing buiten de gewone termijn waarvoor nog een aanslag zou kunnen worden gevestigd. Hoewel het gebruik van de bijzondere aanslagtermijn van artikel 358, §1, 1° WIB ingeval van vastgestelde inbreuken na een controle of een onderzoek in de bedrijfsvoorheffing niet in lijn lijkt te liggen met de ratio legis van de bijzondere aanslagtermijn, heeft het Hof van Cassatie op 16 september 2021 reeds geoordeeld dat een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de roerende voorheffing (dus niet in de bedrijfsvoorheffing) als een controle of onderzoek in verband met de toepassing van de inkomstenbelasting in de zin van artikel 358, §1, 1° WIB moet worden beschouwd.

 

Deze bijzondere aanslagtermijn ging voorheen niet gepaard met een bijkomende onderzoekstermijn, hetgeen door de wetswijziging nu wel het geval is. Concreet kan dit tot gevolg hebben dat de belastingadministratie tot vijf jaar voor de vaststelling van de inbreuk kan teruggaan om een aanslag te vestigen en daarenboven over onderzoeksbevoegdheden beschikt. Indien er middels een vraag om inlichtingen die gesteld wordt in inkomstenjaar 2023 inbreuken worden vastgesteld, dan kunnen inkomstenjaren 2018 tot en met 2022 nog belast worden op basis van onderzoekshandelingen die gedurende een termijn van 12 maanden vanaf de kennisgeving kunnen gesteld worden.

 

De wapens van de belastingadministratie om tot navordering van de niet doorgestorte bedrijfsvoorheffing over te gaan (in het bijzonder in het licht van de vrijstellingen van doorstorting die wettelijk zijn voorzien) worden bijgevolg nogmaals uitgebreid.

Published under