Fiscale zelfdestructie

Voorhef­fingen verminderen de hoeveelheid aangiften en controles en de algemene werkdruk van de over­heid. Dat verklaart wellicht waarom de bedrijfs­voorheffing in België al langer dan een eeuw van kracht is.

Maar de eenvoud van het systeem van de be­drijfsvoorheffing is ten prooi gevallen aan de kote­rij die zo symptomatisch is voor onze belastingen. Sinds 2000 zijn werkgevers in sommige gevallen gerechtigd de ingehouden bedrijfsvoorheffing ge­deeltelijk bij te houden als een soort bronsubsidie. Intussen bestaat die steunmaatregel voor een tien­tal gevallen, waarvan de vrijstelling voor onderzoek en ontwikkeling en die voor nacht- en ploegenwerk de bekendste zijn. Ze zijn cruciaal om onze econo­mie te ondersteunen. Het Rekenhof heeft berekend dat de vrijstellingen in 2017 zo'n slordige 2,3 mil­jard euro bedroegen.

Die twee kortingen zijn een doom in het oog van de administratie en inspireren haar tot standpun­ten die kafkaiaanse proporties aannemen. Een voorbeeld: op grond van de vrijstelling voor onder­zoek en ontwikkeling kan de belastingplichtige aan de federale overheidsdienst voor onderzoek en ontwikkeling (Belspo) advies vragen of zijn activi­teiten 'onderzoek' zijn in de zin van de fiscale wet. In de wet staat letterlijk dat dat advies bindend is voor de fiscus. De rechtspraak bevestigt dat ook. De wetgever heeft die adviesmogelijkheid precies in­gevoerd om rechtszekerheid te bieden. Nochtans meent de fiscus tot vandaag dat ze dat niet hoeft te volgen. Het Rekenhof schreef daarover in 2019:

"De FOD Financiën heeft aan de minister van Fi­nanciën gevraagd om de adviezen van Belspo niet als bindend te moeten beschouwen. Dit is strijdig met de huidige wetgeving."

Zo oordeelt de fiscus ook dat er pas sprake is van ploegenwerk als het uitgevoerde werk voor alle ploegen hetzelfde is en de ploegen even groot zijn. Weet: in de wet is alleen sprake van 'ploegenwerk'. De toevoeging over hetzelfde werk en hetzelfde aantal werknemers heeft de fiscus op haar website gepubliceerd. En ze volgt dat eigen standpunt stringent.

Zonder complexiteit zou de fiscale wetgeving geen fiscale wetgeving zijn. Maar toch zou een be­lastingplichtige die te goeder trouw handelt daar­van niet de dupe mogen zijn. Vanwege de onduide­lijkheden in de wet koos het hoofdbestuur ervoor pas met controles te starten twee jaar nadat de wetgeving werd toegepast. Dat zoiets in het nadeel van de belastingplichtige is, behoeft weinig betoog. Die leeft twee jaar onder de indruk dat zijn liquiditeitspositie werd vergroot. In werkelijkheid is het een tikkende tijdbom.

 

De eenvoud van het systeem van de bedrijfsvoorheffing is ten prooi gevallen aan de koterij die zo symptomatisch is voor onze belastingen.

Ondernemingen zullen maar de pech hebben dat ze na die twee jaar geconfronteerd worden met een controleur die van bovenaf opgelegde arbitraire standpunten moet doordrukken. Ze krijgen er nog een boete bovenop. De wetgeving - waarvan de fis­cus zelf toegeeft dat ze onduidelijk is - moet maar correct worden toegepast, luidt het. Maar cruciale sectoren hebben die vrijstellingen nodig als water en brood. Daarom ondergraaft het gebrek aan rechtszekerheid onze economie. Kan er eens een duidelijk kader komen, dat rechtlijnig wordt toege­past? 

Published under